De Nazireeërgelofte
Meditatie door Dr. Levente Horváth
september 2009
We lezen in Numeri 6 dat wanneer iemand zich aan God wil wijden, het afleggen van de zogeheten Nazireeërgelofte, hij belooft zich voor een bepaalde tijd geheel te houden aan een drietal zaken. Hij mocht geen alcohol nuttigen. Hij mocht zijn haren niet knippen en zich niet scheren. Hij mocht geen dode aanraken. Zelfs niet als dit iemand was uit zijn directe omgeving. De man die zo`n gelofte wilde afleggen moest zich er goed van bewust zijn dat het gevaarlijk was om dicht bij God te leven vanuit deze specifieke gelofte en zich er niet aan te houden . Laat het duidelijk zijn dat we God geen plezier doen wanneer we ons aan Hem willen geven, bijvoorbeeld als vrijwilliger of missionair werker, middels een buitengewone en gewijde dienstbaarheid. God geeft ons de waarschuwing dat in verhoogde heiligheid een grotere verleiding tot zonde is.
De bijbel geeft ons drie voorbeelden om ons de ernst van deze belofte duidelijk te maken. We lezen dat als iemand zijn gelofte brak vóór de afgesproken tijd, hij niet gewoon opnieuw kon beginnen. Eerst moest hij zich laten verzoenen ten opzichte van de vorige toewijding en dan pas kon hij helemaal opnieuw beginnen
In het tweede geval is het interessant dat als iemand gestorven is in de omgeving van de Nazireeër, deze verdrietige gebeurtenis de gelofte van de Nazireeër breekt . Het gaat er niet om dat de Nazireeër zelf iemand had vermoord! In dat geval zou het vereiste zoenoffer logisch zijn. Eigenlijk zouden wij kunnen zeggen dat het de Heer van leven en dood is die verantwoordelijk moet worden gehouden voor de dood van die persoon, en niet de Nazireeër. Het is God die de dood van de persoon moet dragen, maar het is de Nazireeër die onrein verklaard wordt. Bovendien moet hij verzoening voor zichzelf laten zien, alsof hij een moordenaar is. Als zijn oordeel in alle oprechtheid zuiver is, zal hij niet de “zonde”en “verantwoordelijkheid” van God op zich nemen. Hier zit het geheim. De Nazireeër moet zo veel van God houden dat hij in staat is om God te “vergeven”. Hij moet zo veel van God kunnen houden dat hij in staat is om de beschuldiging aan God op zich te nemen en Zijn verantwoordelijkheid te kunnen dragen. Alsof niet God, maar hij verantwoordelijk is voor de dood van de persoon. Een Nazireeër zijn betekent niet een gewone toewijding van je leven aan God, daarvoor is de uitdaging te bijzonder.
Het Woord regelt ook hoe verder om te gaan met de gelofte, zoals in het derde geval wordt beschreven. De man die zich aan het dienen van God wil wijden moet zond- en dankoffers brengen alsof hij de gelofte gebroken had. Jezus refereert hier aan als hij zegt: Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: "Wij zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan, wat wij moesten doen”. Lucas 17:10.
Aäron`s zegen is de bekroning van al het bovenstaande. Dat dit het slot is van het hele hoofdstuk is geen toeval. Na de toewijding om God te dienen, kan de zegen van de Heer slechts één houding bekrachtigen: diegene die wil dienen zonder beloning omdat hij zich realiseert dat het dienen van God de grootste beloning is. Hij die dient weet dat hij van God kan houden door deze houding. Meer nog zelfs, hij is zich er van bewust dat door deze houding zijn toewijding aanvaard wordt.